Kansengelijkheid, differentiatie, maatwerk en de toekomst

Onlangs zijn de toekomstplannen van het onderwijs gepresenteerd. Het is een stuk dat oproept tot dialoog over een andere manier van organiseren van onderwijs, zeg maar gerust een stelselwijziging. Verbaasd hierover ben ik niet, gezien de laatste twee zinnen van mijn vorige blog. Het is echter de vraag of het onderwijs hier überhaupt op zit te wachten, of het de huidige problemen oplost en of het nu het juiste moment is. Het onderwijs staat namelijk in brand. Dat betekent dat er veel moet gebeuren, maar wel graag de juiste dingen. Bij het lezen van het discussiestuk zijn kanttekeningen te plaatsen.

De meest in het oog springende verandering is de latere selectie voor leerlingen naar schooltypen. Deze zou verschuiven van 12 naar 15 jaar. Tegenstanders van een verschuiving haastten zich bij uitkomen van het stuk ervaringen uit hun eigen jeugd of die van hun kinderen te beschrijven. En iedereen kent zelf ook verhalen en anekdotes dat de verschillen in de laatste jaren van het basisonderwijs erg groot kunnen zijn: goede leerlingen hebben meer uitdaging nodig, andere leerlingen hebben juist meer instructie en verwerkingstijd nodig, kinderen zouden blij zijn na groep 8 eindelijk naar hun eigen niveau te kunnen etc. Deze anekdotes worden dan ook rijkelijk gedeeld en vormen vervolgens de onderbouwing waarom het een slecht plan is. Latere selectie zou nadelig uitpakken voor de betere leerlingen. Er zijn ook studies die dit onderbouwen. De resultaten van alle leerlingen dalen enigszins bij latere selectie, maar van de leerlingen met een hogere sociaaleconomische achtergrond iets meer, zodat er minder ongelijkheid ontstaat.

Kansengelijkheid?

Toch klinkt deze latere selectie mooi en de voordelen verdienen zeker aandacht. Kinderen blijven langer bij elkaar, houden daardoor contact, leren van elkaar en gaan niet naar aparte scholen. Landen die dit al doen, laten positieve resultaten zien. Met name de kansengelijkheid neemt toe. Gelijk doen, zou je denken. Maar deze verschuiving van de selectie is niet het enige dat verandert en daar zit nou net de crux.

Het verschuiven van de selectie lijkt makkelijk te realiseren als we meer inzetten op brede dakpansgewijze brugklassen die twee tot drie jaar duren. Leerlingen krijgen dan automatisch meer tijd om te groeien en zeker voor vroege leerlingen is dit een uitkomst. Door middel van opstromen en stapelen kan de vroege selectie ook nog eens gecorrigeerd worden. Een stelselwijziging is dan niet nodig, maar wel een terugkeer naar wat eens makkelijker was. 

Zoals gezegd, het idee voor de latere selectie komt niet alleen. Het gaat gepaard met veel grotere wijzigingen en keuzes, waarbij je terecht vraagtekens kunt zetten. Wanneer leerlingen tot hun vijftiende bij elkaar blijven zullen de verschillen tussen leerlingen in één klas toenemen. Daar heeft het plan ook een oplossing voor: maatwerk en differentiatie. Leerlingen kunnen de vakken op verschillende niveaus volgen en krijgen zo een gepersonaliseerd leerplan. Letterlijk staat er: ‘leerlingen krijgen de keuze in hoe en wat ze willen leren’. Als ik dit lees, krijgt de term pretpakket plots nieuwe inhoud. De vraag is natuurlijk of je hiermee de kansenongelijkheid niet direct weer doet toenemen.

Het maatwerkdiploma

Voorstanders van een maatwerkdiploma noemen altijd het argument dat leerlingen het niveau onderwijs volgen van hun slechtste vak. Nu kun je dat net zo goed omdraaien: leerlingen worden gestimuleerd om met enige vasthoudendheid en doorzettingsvermogen ook in hun slechtste vak een zeker niveau te halen. We leggen dan de lat als het ware net wat hoger en hebben overeenkomstige verwachtingen, iets wat ook wel bekend staat als het Pygmalioneffect. Het maatwerkdiploma kan ervoor zorgen dat leerlingen makkelijker een vak op een hoger niveau volgen en dat wordt dan ook graag als voorbeeld genoemd. Nú is dat vaak ook al mogelijk, maar dat het dán tevens makkelijker wordt om vakken op een lager niveau te volgen als het op bepaalde momenten tegenzit, vergeet men liever te noemen. Het Golem-effect is niet ondenkbaar. Wat is een diploma of portfolio ‘waard’ als een leerling enkele vakken op een lager niveau heeft gevolgd? Het is daarom niet ondenkbaar dat vervolgopleidingen aanvullende eisen gaan stellen of zelfs toelatingsexamens invoeren.

Differentiatie

Het huidige onderwijssysteem met een indeling van verschillende schooltypen kent nu ook al differentiatie: externe differentiatie. Bij het uitstellen van de schoolkeuze betekent het dat je deze vorm van differentiatie vervangt voor interne differentiatie en daar wordt het interessant. Interne differentiatie bestaat uit convergente en divergente differentiatie. Bij convergente differentiatie werken de leerlingen aan hetzelfde doel en wordt gedifferentieerd bij de verwerking. Dit leidt tot meer kansengelijkheid. Divergente differentiatie (gepersonaliseerd leren) leidt tot een toename van de verschillen tussen leerlingen en daarmee tot meer kansenongelijkheid. Dat laatste is juist wat men wil verminderen. Bizar dat juist divergente differentiatie onderdeel van het plan is. Wanneer het hele onderwijsstelsel geschoeid wordt op deze leest, wordt divergente differentiatie de norm. In hoeverre bemoeit men zich dan met ‘het hoe’ en met het onderwijsconcept van de school?

In het stuk staat dat ‘een cultuur van evidence-informed werken bij onderwijsinnovaties hoort’ en dat ‘de rijkdom van het onderwijslandschap op het gebied van overtuiging en pedagogisch-didactische voorkeur een kracht van ons systeem is dat men wil men behouden. Van tevoren inzetten op dit vergaande maatwerk is daarmee in strijd.

Schaduwonderwijs

Bij de probleemanalyse wordt de groei van het schaduwonderwijs genoemd als verontrustend signaal. De kansenongelijkheid neemt hierdoor toe. Door de invoering van vergaand maatwerk in de vorm van modulair onderwijs op verschillende niveaus zie ik de rol van het schaduwonderwijs niet direct afnemen. Als ouders nu al bijlessen regelen voor hun kinderen om een zo hoger schooladvies mogelijk te maken, zullen zij dit blijven doen, zodat hun kroost zo veel mogelijk vakken op het hoogste niveau kan volgen. Ouders die hun kinderen toch graag zien op een categorale school zullen mogelijk een nog grotere toevlucht nemen tot privéonderwijs. Hoezo grotere kansengelijkheid?

Mijn vragen

Ik blijf al met al met meer vragen zitten dan dat het antwoorden oplevert:

  • Neemt de kansenongelijkheid af met dit plan?
  • Is divergente differentiatie de juiste keuze om dit te bewerkstelligen?
  • Zit het onderwijs op dit moment op een stelselwijziging te wachten?
  • Is een stelselwijziging überhaupt nodig of is reparatie voldoende?
  • Bemoeit men zich te veel met ‘het hoe’?
  • Heeft dit plan echt het bevorderen van de kansengelijkheid voor ogen of is dit een manier om het oogappeltje van Paul Rosenmöller, het maatwerkdiploma, weer eens landelijk op de agenda te zetten?

Lerarenopleiding

Een stelselwijziging heeft ook een andere invulling van het beroep tot gevolg. Dit plan zou leiden tot ‘aantrekkelijker werk in een samenwerkende sector’. Zo staat er te lezen dat men de beste mensen in de school wil met een marktconform salaris. Dit is bij het huidige lerarentekort interessant, want schaarste leidt tot hogere lonen. Er wordt niet alleen gestreefd naar meer academisch gevormde en masteropleide docenten, maar de lerarenopleidingen zullen ook moeten vernieuwen, omdat de rol van de professionals in het onderwijs verandert. Gaat het lukken om meer academische leraren te werven en tegelijkertijd de opleiding zo te veranderen, dat deze aansluit bij de brede basisvoorziening? Men heeft het tot nu toe juist over een bredere bevoegdheid.

Onderwijs staat door de problemen flink in de belangstelling. Het raakt veel mensen en tegelijkertijd meent iedereen er daarom ook verstand van te hebben. Zelfs voor het aantrekkelijker maken van ons vak weet men wat te doen. Wil je mensen werven voor het onderwijs dan moet het beroep weliswaar aantrekkelijker worden, maar keer op keer komt er een plan uit de hoge hoed dat het tegenovergestelde veroorzaakt.

Ik houd mezelf maar weer voor dat het slechts een discussiestuk is, waarvoor de komende maanden dialoogbijeenkomsten georganiseerd worden. Een hele geruststelling…of niet? Bij het laatste discussiestuk zijn de ervaringen met feedbackrondes niet heel positief verlopen. Feedback, hoe kritisch ook, zou weleens uitgelegd kunnen worden als steun en draagvlak, waarbij de leraren zogenaamd aan zet zijn geweest…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s